QP Anti-parasitaire middelen > QP52 Anthelmintica

Infecties door helminten behoren tot de meest voorkomende aandoeningen bij dieren. Toename van het aantal dieren per oppervlakte-eenheid vergroot de infectiedruk. Worminfecties kunnen gepaard gaan met conditievermindering, groeivertraging en productiederving (o.m. bij chronische distomatose van het rund), maar ook met ziekteverschijnselen zoals diarree, anemie en hoesten (infecties door longwormen en maagdarmnematoden) en sterfte (acute leverbotinfecties bij schaap en geit). Daarnaast kunnen worminfecties bij huisdieren aanleiding geven tot ongewenste infecties bij de mens (zoönose). Voorbeelden hiervan zijn de opname van blaaswormstadia van lintwormen door consumptie van onvoldoende verhit vlees en leverbotinfecties door de consumptie van besmette waterkers. Ook spoelwormeieren van Toxocara spp. (5-10% van de honden en de katten zijn hiermee besmet in ons land) vormen een risico voor de gezondheid van vooral kleine kinderen. Grondmonsters uit parken en openbare zandbakken bevatten vaak spoelwormeieren (resp. in 25% en 59% van de monsters). Ze zijn zelfs bestand tegen extreme weersomstandigheden zoals strenge vorst. Infecties bij kinderen kunnen gepaard gaan met lever-, long- en zelfs oogaandoeningen (ontstekingsreacties ten gevolge van migrerende larven). Ongeveer 8% van de Nederlandse bevolking is seropositief. Kennis van de ontwikkelingscyclus, die voor een deel buiten het lichaam - al dan niet in een tussengastheer - plaatsvindt, is van groot belang bij de bestrijding van de betreffende parasiet. Voor ieder type infectie geldt een eigen bestrijdingsstrategie, die rekening houdt met diersoort en ontwikkelingscyclus van de parasiet. Tot de preventie van worminfecties (zoals bijv. door het actief immuniseren van kalveren tegen Dictyocaulus viviparus) behoort ook het bestrijden van tussengastheren (o.a. met ectoparasiticide middelen).

Werking en werkingsspectrum: Anthelmintica zijn chemotherapeutica die - gebaseerd op het principe van selectieve toxiciteit - geschikt zijn voor de behandeling van worminfecties. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen smal- en breedspectrum anthelmintica, als ook tussen middelen met werking tegen alléén volwassen wormen en middelen met werking tegen onvolwassen larvale stadia in de weefsels. Het is dus van groot belang dat men nauwkeurig vaststelt met welke soort parasiet men te maken heeft. De diagnose berust - naast symptomatologie en eventueel serologisch onderzoek - voornamelijk op het aantonen van eieren, larven of volwassen wormen in feces en/of sputum.
 
Resistentie: Het ontstaan van resistente mutanten - dit is het ongevoelig worden voor een of meer anthelmintica, waarbij deze eigenschap overerfelijk is - door grootschalige en soms ook niet correcte toepassing van anthelmintica, is mondiaal een groeiend probleem.

Voor alle producten in deze klasse, klik hier.

QP52A Anthelmintica tegen trematoden, nematoden en cestoden
QP52B Anthelmintica tegen trematoden (leverbot)
QP52C Anthelmintica tegen nematoden (rondwormen, spoelwormen)
QP52D Anthelmintica tegen cestoden (lintwormen)
QP52X Anthelmintica: overig